Wat nog altijd te denken geeft: Heidegger en antisemitisme

Men zegt dat tijd alle wonden heelt. Als dat zo was, zou er dan nu nog, buiten een kleine kring specialisten, ophef ontstaan over Heideggers Zwarte Schriften, de aantekeningenboekjes die de filosoof in het tijdvak 1933-’45 (en tot lang daarna) bijhield? Had de vraag of zijn denken door antisemitisme is besmet de gemoederen nu nog kunnen verhitten?

Nee, de tijd heeft geen medicijnen gestudeerd. Het is dus niet vreemd dat de publicatie in 2014 van het eerste van Heideggers Schriften, de zogeheten Überlegungen, breed werd uitgemeten in de media. Bij leven verkoos Heidegger vragen die betrekking hadden op de Shoah veelal met stilte te beantwoorden, een filosofisch pathos dat velen heeft ontsteld en gekwetst. Zoveel onbeantwoorde vragen, zoveel open wonden. Bijna vier decaden na Heideggers dood en zeven na het einde van de Tweede Wereldoorlog beloven de Schriften juist dit zwijgen te verbreken.

In de eerste golf reacties op de Überlegungen bleek voor nuance weinig ruimte. Het oordeel dat de ‘nazi en antisemiet Heidegger’ moest hangen leek bij voorbaat geveld, de eigenlijke lezing een tendentieuze invuloefening. Dat zal Peter Trawny, die als directeur van het Martin Heidegger Instituut te Wuppertal de Gesamtausgabe overziet en als geen ander in de positie verkeert daar zinnige dingen over te zeggen, ertoe hebben bewogen in te grijpen. Heidegger en de mythe van de Joodse wereldsamenzwering, nu ook in Nederlandse vertaling verschenen, is daarvan het resultaat.

In dit essay gaat het niet zozeer om de vraag of Heidegger er antisemitische gedachten op nahield; daarover bestaat volgens Trawny namelijk ‘geen enkele twijfel meer’. Eerder is het een poging af te bakenen welke plek die antisemitische gedachten in Heideggers filosofische denken op een zeker moment innemen. Zijn ze de filosoof even ‘vreemd’ als de nazistische rassenleer en de feitelijke ‘fabricage van lijken’? Of zijn ze hem veel meer ‘eigen’ dan tot nu toe is gedacht?

 

Sinterklaas

Het beantwoorden van vragen als deze reikt verder dan vaststellen of de persoon Heidegger fout was of niet. Op het spel staat de canonieke Heidegger, en dat spel ligt politiek hoogst gevoelig. Want als deze Heidegger door antisemitisme is ‘gecontamineerd’, hoe moet het dan verder met het doorgeven van diezelfde Heidegger aan academici in tal van disciplines wereldwijd, om van niet-academische lezers nog te zwijgen?

Hier dringt zich een vergelijking met de Zwarte-Pietendiscussie op die duidelijk maakt waarom een zeker (zelf)beeld van filosofie als abstracte denksport ver weg van de ‘wereld’ nodig aan deconstructie toe is. Neem Sinterklaas: zelfs als de goedheiligman dezelfde fictieve status als bijvoorbeeld Pegasus toekomt, dan nog wordt een dergelijke ‘mentale constructie’ ondersteund door een verwijzing naar de slavernij, die echt heeft bestaan. Nu is de verleiding om filosofie voor een spel van mentale constructies te houden niet kleiner dan degene die van ons nationale kinderfeest uitgaat. Dat feest gaat echter niet door, omdat de formele logica en al het redeneren dat ze mogelijk maakt zelf op materiële assumpties leunen, hoe impliciet die ook zijn. Dat wist Aristoteles, de grondlegger van de formele logica, toen hij ontologie ‘eerste filosofie’ noemde; dat wist Kant toen hij de transcendentale logica schreef; en juist Heidegger wist maar al te goed dat ontologie aan elk ‘abstract’ denken zijn concrete kern verschaft.

Net als het Sinterklaasfeest geeft de filosofische traditie iets echts door dat middenin de wereld even echte emoties op kan roepen; voor de canonieke Heidegger geldt dat niet minder. In alles toont zijn essay dat Peter Trawny van die gevoeligheid doordrongen is. De voorzichtigheid die hij betracht in de interpretatie van fragmenten uit de Schriften – politieke correctheid ten aanzien van joden, ‘hermeneutische billijkheid’ ten aanzien van Heidegger – spat van de bladzijden. Maar zelfs dan is zijn oordeel, dat de Schriften getuigen van een ‘zijnshistorisch antisemitisme’ (waarover zometeen meer), in het beste geval een schot voor de boeg, in het slechtste een steen des aanstoots.

 

Heet hangijzer

Dat laatste is het in ieder geval geweest voor de Leuvense hoogleraar filosofie Dirk de Schutter. Tegelijk met de vertaling van Trawny verscheen van zijn hand Martin Heidegger – een apologie. Daarin spat geen voorzichtigheid maar woede van de bladzijden. Over de gebrekkige definities van zowel ‘antisemitisme’ als ‘zijnshistorie’; over suggestieve keuzes en weglatingen van bronnenmateriaal; en over het herkauwen van clichés over Heidegger die aantoonbaar onjuist zijn is De Schutter woedend. Niet Heideggers vermeende antisemitisme is onbetwijfelbaar; nee, Trawny is ‘opgehouden te denken’. Wie de  Apologie op zichzelf leest zou kunnen geloven dat een boze geest uit Wuppertal erop uit is de Heideggertraditie om zeep te helpen.

Als deze gepassioneerde aanval iets bewijst, dan wel dat het om de verdediging van grote belangen gaat. Over dat laatste zijn Trawny en De Schutter het eens. De ironie is dat Trawny’s op het eerste gezicht zo redelijke damage control in de ogen van De Schutter een monsterlijke fabricatie baart. Hoe heet kan een hangijzer zijn? Behóórlijk heet, blijkens het treffen van Trawny en De Schutter van oktober 2015 in Spui25 te Amsterdam. Was het een voetbalwedstrijd geweest, dan had de scheidsrechter zonder meer kaarten kunnen en misschien ook moeten trekken.

Een scheidsrechter was er die middag niet bij. De vraag wie van de heren de hermeneutische arena als winnaar mag verlaten is dan ook aan de lezer die het essay en de apologie naast elkaar legt. Bovendien vraagt de confrontatie van Trawny en De Schutter om meer dan het uitroepen van een winnaar. Wat de aanval van De Schutter namelijk zo pikant maakt is het vermoeden van een samenzwering tegen Heidegger dat erin doorklinkt. Vormt die gedachte geen sinistere dubbelganger van de ‘Joodse wereldsamenzwering’ die volgens Trawny in Heideggers denken is geslopen? Dat zo’n Wiederholung vandaag mogelijk lijkt geeft te denken.

 

Wereldjodendom

In de kwestie van Heideggers antisemitisme speelt het geloof dat hij hechtte aan het bestaan van een ‘planetair’ joods complot de hoofdrol. Dat heeft alles te maken met de ‘zijnshistorie’ die de filosoof in zijn Zwarte Schriften optekent. De zijnshistorie is de geschiedenis van ‘schikkingen van het Zijn’, die tevens de geschiedenis van de metafysica als het vergeten van de Zijnsvraag is. Wat de inhoud van de Schriften zo intrigerend – of misschien eerder bizar – maakt is dat Heidegger in de gebeurtenissen van zijn tijd, met name de oorlog, die geschiedenis tot een ‘beslissing’ ziet komen. Tegenover een ‘ander begin’ van de zijnsgeschiedenis, dat een ‘eigenlijk verstaan van het Zijn van zijnden’ zal inluiden, staat de meest actuele van de Zijnsschikkingen, de ‘techniek’. Voor zover de techniek een eigenlijk Zijnsverstaan onmogelijk maakt, is ze het ‘einde’ van de geschiedenis en daarmee het zijnshistorische onheil bij uitstek.

Het zal niemand verbazen dat Heidegger de ‘Duitsers’ als macht van het ‘andere begin’ in zijn geschiedenis inschrijft. De zijnshistorische vijand daarentegen heeft verschillende gezichten: alle geallieerden en opmerkelijk genoeg ook de nationaalsocialisten (die Heidegger na ’33 snel teleur hadden gesteld) komen voorbij. De figuur die Heidegger nadrukkelijk met de louter calculerende techniek en de ‘ontworteling van het zijnde uit het Zijn’ in verband brengt, is evenwel het ‘wereldjodendom’.

Nu wordt duidelijk wat Trawny bedoelt met ‘zijnshistorisch antisemitisme’. Om te beginnen ziet Heidegger het idee van techniek belichaamd in het stereotype van de jood die ‘handig rekent’ en ‘overal en nergens thuis is’. Maar dat is niet alles. Wie zijn Heidegger gelezen heeft weet dat de filosoof de ‘domeinen waar de wezenlijke beslissingen vallen’, de schikkingen van het Zijn, als structureel verborgen beschouwt. Juist dat zal zijn denken vatbaar hebben gemaakt voor het fantasma van een verborgen alomvattend complot.

 

De complottheorie als filosofisch probleem

Omdat en voor zover het ‘wereldjodendom’ in de climax van Heideggers zijnshistorie de rol van de techniek vertolkt, komt Trawny tot de conclusie dat antisemitisme de kern van diens denken raakt. Zijn felle protesten ten spijt spreekt De Schutter dat laatste niet tegen. Toch is de zaak met dit Salomonsoordeel alles behalve gesloten. Hoe zit het bijvoorbeeld met de complottheorie als zodanig? Geeft het, zoals gezegd, niet te denken dat deze waan van het intellect vandaag even goed in geesten kan woekeren als in het Europa van een eeuw geleden? Het vergt weinig verbeelding om in de angst voor ‘de’ islam de blauwdruk van een complottheorie te herkennen. Hetzelfde geldt voor de verhalen waarmee jonge mensen worden verleid om onder de vlag van IS tegen ‘het’ westen ten strijde te trekken. Wordt het geen tijd dat filosofen de mogelijkheidsvoorwaarden van complottheorieën als een nadrukkelijk filosofisch probleem gaan opvatten en daarover aan dezelfde tafel als psychologen, sociologen en antropologen hun zegje doen?

De complottheorie waar de Zwarte Schriften naar verluidt op leunen kan in minstens twee opzichten als een filosofisch probleem worden beschouwd. In de eerste plaats laat de zijnshistorie zien dat Heidegger ideeën als het eigenlijke Zijnsverstaan en de techniek identificeert met feitelijk bestaande (groepen van) individuen, respectievelijk ‘Duitsers’ en ‘wereldjodendom’. Maar in welke zin kan worden gezegd dat een individu een idee is? In de dialoog Parmenides laat Plato de eleatische filosoof Socrates de kritische vraag voor de voeten werpen hoe individuele dingen in de werkelijke Ideeën ‘participeren’. In het middeleeuwse dispuut tussen realisten en nominalisten wordt Plato op zijn kop gezet, maar de vraag blijft in wezen dezelfde: bestaan de algemene begrippen onafhankelijk van de individuen die ze groeperen, of gaat het slechts om constructies van, voor en door de individuele leden van zulke verzamelingen? En draait Heideggers eigen klassieker Zijn en tijd per slot van rekening niet om de vraag naar de ‘zin van zijn’?

De problematische verhouding tussen het algemene en het bijzondere is de filosofie van Heidegger dus niet vreemd. Het heeft er juist alle schijn van dat zijn beslissing om ideeën met individuen te identificeren voortkomt uit het hart van zijn project: de strijd tegen de moderne metafysica, die de dingen voor niets dan ‘representaties’ oftewel constructies van het bewustzijn houdt. Door zijn ondermijning van het voor de moderniteit fundamentele dualisme van bewustzijn en de dingen zelf zet Heidegger ook het kritische onderscheid tussen het bijzondere ‘zijnde’ en het algemene ‘wezen’ tussen haakjes. In feite markeert dat het einde van het individu als zelfstandige entiteit. De uitermate dubieuze implicatie daarvan is dat individuen belichamingen van ideeën en niets dan belichamingen van ideeën zijn. Dat zet de deuren naar een identificatie van individuen met ‘de’ islam of ‘het’ westen – hoe vager de noemers zijn, des te beter – wagenwijd open. Is dit geen noodzakelijke voorwaarde voor elk fantasma van een ongrijpbaar complot op wereldschaal?

 

Na de noodzaak

Als zijnshistorische interpretatie van de Tweede Wereldoorlog duiden de Zwarte Schriften nóg een filosofisch probleem aan. Het is bekend dat Heidegger in de nationaalsocialisten enige tijd de wegbereiders van een ‘revolutie van het Zijn’ zag. Toen bleek dat de nazi’s zijn zijnshistorische agenda niet deelden, keerde Heidegger het feitelijke nationaalsocialisme echter meer en meer de rug toe. (Dat is, zoals Trawny opmerkt, in ieder geval de verdienste van het zijnshistorische narratief geweest.) De breuk had zijn geloof in de ophanden zijnde revolutie echter niet aan het wankelen gebracht. Het echec moet dan ook compleet zijn geweest toen Heidegger na de Duitse capitulatie constateerde dat er helemaal geen ‘wezenlijke beslissing’ was gevallen: de revolutie was uitgebleven. Het is maar de vraag of de filosoof, de mystieke Gelassenheit van zijn latere werk ten spijt, die teleurstelling ooit te boven is gekomen.

Wat is de bron van Heideggers teleurstelling als het niet het falen van de zin van de geschiedenis is? Maar wat verstaan we eigenlijk onder de zin van de geschiedenis? Zo’n zin lijkt een noodzakelijk verloop in de richting van een bovenmenselijk Doel te veronderstellen. Het falen van zin betekent dan dat de geschiedenis niet noodzakelijk op een of andere bestemming afstevent. Er is, kortom, geen sprake van een heilsgeschiedenis. Een actueel voorbeeld van die teleurstelling biedt Francis Fukuyama, die na het ineenstorten van het reële socialisme in Europa en de voormalige Sovjet-Unie begin jaren ’90 een gelukzalig liberaal einde van de geschiedenis afkondigde. Hij is onlangs op zijn blijde tijding teruggekomen.

Het acute, deprimerende besef van een gebrek aan noodzakelijke Vooruitgang is een van de voornaamste herkenningstekens van wat de postmoderne conditie is gaan heten. Gegeven deze conditie bezit Heideggers apocalyptische sentiment dat ‘alleen een god ons kan redden’ van de zinloosheid een zekere charme. Appelleert het niet aan het tegenstrijdige gevoel dat, als alles niet noodzakelijk beter wordt, het dus slechter zal gaan? Een dergelijk filosofisch pathos lijkt ook de complottheorie, die het einde van de wereld zoals we die kennen voorspelt, te voeden.

Is nihilisme werkelijk de enige conclusie – als het al een consistente conclusie is – die uit een gebrek aan noodzaak in de geschiedenis te trekken valt? Als het voor ons postmoderne individuen een feit is dat de tijd geen vooropgezette koers vaart, onderschrijven we dan niet in één en dezelfde klap dat onze vrijheid van handelen niet louter illusie maar echt is? En logenstraft die vrijheid niet de teleurstelling waar elk complotdenken dankbaar op parasiteert?

 

Onbeantwoorde vragen

Zoveel jaar na de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog en de Shoah is de confrontatie met Heideggers Zwarte Schriften alweer en nog steeds beladen. Dat de emoties zelfs in een academisch debat als dat tussen Trawny en De Schutter hoog oplopen mag daarvan getuigen. Die emoties zijn er, omdat we in de Schriften op vragen stuiten die lange tijd het recht is ontnomen zelfs maar te worden gesteld. Op uitdrukkelijke vragen kunnen en mogen we – verschillende – antwoorden geven; vragen die als zodanig worden ontkend, doen pijn.

Belichamen individuen een idee, of is een idee een representatie van individuen? Heeft de geschiedenis een noodzakelijke loop, of is er vanwege de vrijheid geschiedenis? Deze vragen zijn open wonden die tientallen, zelfs honderden jaren tijd niet vóór ons kunnen helen. Hier begint de verantwoordelijkheid om na te denken. Dat Heidegger ons daarover, ondanks zichzelf, te denken geeft, is en blijft van grote waarde.

Op 15 oktober 2015 troffen Peter Trawny en Dirk de Schutter elkaar in Spui25 te Amsterdam. Bekijk hier De Schutters videocolumn en Trawny’s reactie.

Of bestel hun boeken: Dirk De Schutter, Heidegger – een apologie. Klement, 2015; Peter Trawny, Heidegger en de mythe van de Joodse wereldsamenzwering. Klement, 2015

Geef een reactie