Wat is terreur? Aanzet tot een theorie

Als het woord ‘terrorisme’ valt, weet iedereen onmiddellijk wat dat betekent: vliegtuigen die zich in de Twin Towers boren, explosies in de metro’s van Brussel, Londen en Madrid, gekaapte trucks die inrijden op menigtes in Berlijn en Nice, op rockers leeggeschoten kalasjnikovs in Parijs. Deze voorbeelden zijn allemaal dicht bij huis, wat de verraderlijke indruk wekt dat alleen westerlingen slachtoffer van terrorisme kunnen zijn; alsof terreur voor de inwoners van Bali, Istanbul of Mumbai normaal is. Waar dit op duidt is dat het etiket ‘terroristisch’ gepolitiseerd is: welke gewelddaad we toeschrijven aan terroristen en welke niet hangt ervan af aan wiens kant we staan. Als het woord ‘terrorisme’ valt, weten we dus amper wat dat betekent behalve een bekentenis van eigen politieke kleur.

Bieden de verscheidene definities die in omloop zijn soelaas? Het Nederlands Wetboek van Strafrecht erkent ‘terroristische misdrijven’ (artikel 83) en misdrijven die met ‘terroristisch oogmerk’ (artikel 83a) worden gepleegd. Dat laatste wordt gedefinieerd als ‘het oogmerk om de bevolking of een deel der bevolking van een land ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid of internationale organisatie wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke, constitutionele, economische of sociale structuren van een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen’.

Aan deze en dergelijke definities (de AIVD hanteert vergelijkbare criteria) valt op dat de breedte ervan omgekeerd evenredig is aan de conceptuele samenhang tussen de verschillende opgevoerde aspecten. Ernstige vrees, wederrechtelijke dwang en de ontwrichting van fundamentele structuren worden als vanzelfsprekend geheel gepresenteerd, maar de zuivere nevenschikking van zulke termen ontbeert een rationale voor hun eenheid. Wat ontbreekt is een begrip van terrorisme. Maar dan zijn we terug bij af.

Met het beantwoorden van de vraag ‘wat is terrorisme?’ stappen we in een drijfzand van meningen en kampen. Dat is een waagstuk waar ik niets dan schaars verhulde retoriek van verwacht. Toch kan het niet zo zijn dat terroristisch geweld geen andere werkelijkheid kent dan zijn ‘framing’ naderhand. Het is de verdienste geweest van iemand als Jean Baudrillard om de rol van media aan de kaak te stellen toen hij van de Tweede Golfoorlog beweerde dat die nooit had plaatsgevonden(1). Maar wie deze kritiek afdoet als verwerpelijke ontkenning van het geweld mist de pointe: dat het geweld achter alle framing is verborgen.

Daarom wil ik ‘terrorisme’ qua politieke constructie onderscheiden van de realiteit die daardoor wordt afgeschermd. Willen we weten wat terrorisme betekent, dan moeten we volgens mij eerst begrijpen naar wat voor werkelijkheid dat woord terugverwijst. In plaats van ‘wat is terrorisme?’ wil ik vragen: wat is terreur? Om deze vraag te beantwoorden, neem ik een paar theoretische stappen terug. Heb geduld en bear with me, lezer: deze ogenschijnlijke regressie zal zich aan het einde van de rit uitbetalen in (voorlopig) begrip.

 

Onbewuste herinneringen

Zo wil ik beginnen met de vraag wat bewustzijn is. Om daar een antwoord op te geven doe ik een beroep op de moderne Franse filosoof Henri Bergson (1859-1941)(2). Volgens Bergson zijn we ons bewust van dat waarop we invloed uit kunnen oefenen en ook van datgene wat invloed op ons kan uitoefenen. ‘Invloed’ dient hier heel breed te worden opgevat: de invloed die een kleurig bloempje op mij kan hebben is dat ik erheen loop, het ruik en vervolgens pluk. Wat ons verder moet opvallen aan Bergsons tamelijk losse definitie is dat waarneming – en daarmee bewustzijn – betrekking heeft op wat kan. In die zin is waarneming het tegendeel van affect, waarvan pijn het schoolvoorbeeld vormt. Pijn is de uitdrukking van een invloed die onmiddellijk wordt ondergaan. Om het in Bergsons technische termen te stellen: we nemen virtuele acties waar, terwijl we reële acties als affect ondergaan.

Zeggen dat onze waarneming op virtuele acties berust betekent dat de dingen zijn wat we ermee kunnen, en zij met ons. De vraag is nu hoe we weten wat (er met) een ding kan. Die kennis, of het nu gaat om praktische know how of om een formele, wetenschappelijke theorie, kunnen we niet anders hebben verworven en beproefd dan door ervaring: we weten wat iets kan, omdat we dat er al eens mee hebben gedaan, met of zonder voorbedachten rade. Dit wil op zijn beurt weer zeggen dat waarneming van virtuele acties hier en nu berust op herinneringen.

Samengevat is bewustzijn als waarneming en affect het ‘correlaat’ van mogelijke of werkelijke verandering. We kunnen het begrip ‘virtuele actie’ echter nog verder uitpakken. De mogelijke verandering waar virtuele actie op duidt veronderstelt namelijk een onder- en achtergrond die zelf stabiel(er) is. Denk aan de kamer of gang die zich achter de gesloten deur waar je tegenaan kijkt bevindt; aan de voortuin aan de andere kant van de voordeur; aan de straat achter het tuinhek; en aan de stad die zich om de hoek van de straat uitstrekt. Al deze ruimtes bevinden zich strict genomen buiten je waarneming en toch vormen ze er de constante ondersteuning van. Over de vloer en de grond waar de fundering van het rijtjeshuis of de wolkenkrabber waarin je je bevindt op rust hebben we het dan niet eens gehad.

De kritische vraag is nu: waar komt onze ‘kennis’ van deze constante, stabiele onder- en achtergrond vandaan? Ik wil het antwoord op deze vraag kort inleiden om het beter uit te doen komen. In de westerse filosofische traditie is ruimte het permanente en absolute bij uitstek. Voor de moderne filosofie is het niet anders. De naam die in dit verband genoemd moet worden is die van Immanuel Kant. De zogeheten wending naar het subject die Kant voltrok komt neer op een afwijzing van het idee dat wij de dingen zoals ze werkelijk zijn kunnen kennen(3). Onze kennis is daarentegen gebaseerd op hoe dingen aan het subject (lees: ons bewustzijn) verschijnen. Daarmee is de wijze waarop kennis door het subject wordt gevormd een mogelijkheidsvoorwaarde voor alle kennis, wat kennis van wat absoluut, dus onafhankelijk van ons bewustzijn, bestaat, uitsluit.

Deze wending lijkt revolutionair; Kant zelf dacht in ieder geval dat alle metafysica hiermee verleden tijd was. In haar uitwerking blijkt ze echter conservatief. Voor Kant is ruimte, overigens net als tijd, een ‘transcendentale vorm van de aanschouwing’, oftewel een voor ons bewustzijn onvoorwaardelijk gegeven. Ergo: in feite verandert er met Kants wending naar het subject helemaal niets aan de opvatting van ruimte.

Ik denk dat er maar één consequent antwoord valt te geven op de vraag waar onze kennis van de stabiele onder- en achtergrond die we doorgaans ‘ruimte’ noemen vandaan komt: we doen die kennis, net als die van virtuele acties, op door ervaring. Daarbij moet worden aangetekend dat er een cruciaal verschil is. Ruimte is per definitie dat waarin virtuele actie zich ontvouwt en dus zelf geen virtuele actie. De logische consequentie hiervan is dat ruimte geen correlaat van bewustzijn is in de zin zoals we die zojuist hebben vastgesteld. Maar als onze ‘kennis’ van de ruimte net als die van virtuele acties voortkomt uit ervaring, dan berust de (impliciete) ondersteuning van onze (expliciete) waarneming net zo zeer op herinneringen, maar dan wel onbewuste herinneringen.

 

Ruimte en terreur

Wat door ervaring is geleerd, wordt door ervaring herzien. Het standaardvoorbeeld is dat van de zwarte zwaan. Stel, je bent in je leven talloze zwanen tegengekomen en al die zwanen waren wit. Mag je op grond daarvan de universele uitspraak doen dat alle zwanen – die er ooit waren en zullen zijn – wit zijn? Nee, dat mag niet: je hoeft maar één zwarte zwaan tegen te komen om je kennis over zwanen (dat ze allemáál wit zijn) op losse schroeven te zetten.

Nou is dit, behalve voor ornithologen misschien, een onschuldig voorbeeld. We zouden het punt iets zwaarder kunnen aanzetten met mannen in plaats van zwanen. Stel, je ‘weet’ dat alle mannen en penis hebben en zich seksueel aangetrokken voelen tot vrouwen. Nu maak je kennis met een transman en een homo. Zijn dit mannen? Met een antwoord als ‘nee, dat zijn geen echte mannen’ is de kous niet af. Integendeel, daarmee is het punt bewezen dat nieuwe ervaring bestaande begrippen herziet: het begrip ‘man’ is nu opgesplitst in dat van de ‘echte’ en de ‘onechte’. Dus, ook als we opgedane kennis niet bij het eerste het beste beetje conflicterende informatie afdanken, zijn de herinneringen waarop begrippen berusten niet absoluut immuun voor nieuwe ervaring.

Voor mij is nu de cruciale vraag wat er gebeurt als nieuwe ervaringen onbewuste herinneringen tegenspreken. Over wat voor soort ervaringen hebben we het dan überhaupt? Ik denk aan natuurrampen als aardbevingen, vulkaanuitbarstingen en vloedgolven, maar ook aan snelwegen waarvan plotseling het asfalt meters verzakt of gebouwen die instorten. In ieder geval gaat het om ervaringen van een verstoring van de ruimte. Denk nog eens aan de kamer aan de andere kant van de gesloten deur. Hoewel je op grond van je herinneringen nooit de zekerheid had dat die kamer er voor altijd zou zijn, zou je heel raar opkijken als je die deur opendeed en de kamer daar echt niet meer terugvond. Mijn vraag is, kortom: wat nou als ruimte niet langer fungeert als die even constante als onopvallende basis van virtuele actie?

In eerste instantie valt, zeker in levensbedreigende situaties, emotie te verwachten: vrees en angst, paniek of shock. Emotie is echter van voorbijgaande aard. Vooropgesteld dat we het er levend van af brengen, daalt de adrenalinespiegel in ons bloed langzaam maar zeker weer naar een normaal niveau. Toch kan er, wanneer alles achter de rug lijkt, een gevoel van onbehagen, onrust of onveiligheid blijven hangen. Dit soort gevoelens laat zich niet op dezelfde manier verklaren als emotionele reacties, want die hangen samen met het acute gevaar dat juist is verdwenen. De kern van deze gevoelens moet volgens mij eerder gezocht worden in het opgeschud worden van onbewuste herinneringen, zozeer dat er sprake is van een paradoxaal effect: door nieuwe ervaringen van de instabiliteit van de ruimte worden onbewuste herinneringen bewust. De ruimte is zelf actief geworden.

Na een lange, theoretische aanloop kom ik nu tot een antwoord op mijn hoofdvraag: de verstoring van de verhouding tussen virtuele actie en de ruimte die daar de stabiele en onbewuste onder- en achtergrond van vormt is de kern van wat ik terreur noem.

 

Da coda: terrorisme

Ik voorzie een paar implicaties van deze theorie in spe:

 

  1. De ‘ontkrachting’ van onbewuste herinneringen kan maar op één manier worden tegengegaan: door nieuwe ervaringen die de ontkrachtende ervaringen op hun beurt tegenspreken.

 

  1. Substituten voor stabiliteit van conceptuele aard zullen om die reden geen nut hebben of zelfs averechts werken. Als ik ‘substituut voor stabiliteit’ zeg, dan bedoel ik zoiets als een groepsidentiteit: een abstractie van (virtueel) actieve spelers. Nu zullen we ons niet gauw vastklampen aan abstracties om, zeg, de terreur na een overstroming te bezweren, tenzij die overstroming op de een of andere manier wordt gepolitiseerd: ‘als Den Haag het waterschap niet had gekort, waren de dijken niet doorgebroken en wij niet getraumatiseerd.’ Merk op dat een beroep op dit soort identiteiten hand in hand gaat met contrafactische beweringen: als dit was…, dan zou dat… Dergelijke beweringen maken zelf weer deel uit van een vergelijking met wat er in feite is gebeurd. De strekking is hoe dan ook dat het anders was gelopen als… Vervolgens is het nog maar één stap van een vergelijking in de verleden tijd naar een in de tegenwoordige tijd. Dan is de substituut-stabiliteit compleet.

Als we stabiliteit, permanentie en veiligheid in dit soort vergelijkingen betrekken, dan maken we de ruimte, via de abstracte identiteiten die erin figureren, afhankelijk van virtuele actie. Zo wordt ruimte alleen maar verder geactiveerd, met als gevolg dat de terreur eerder toe- dan af zal nemen.

Vooral deze laatste implicatie brengt ons terug bij terrorisme. Eerst zou ik terrorisme willen beschrijven als willens en wetens aangerichte terreur, om die beschrijving meteen aan te scherpen. Bij terrorisme gaat het namelijk nooit alleen om dood en verderf zaaien. Het gaat zelfs niet alleen om terreur. Waar het bij terrorisme om gaat is het uitlokken van averechts werkende pogingen om met terreur om te gaan. Het gaat erom dat ik, na een terroristische aanslag die me schokt, beaam dat de ‘democratie’ en de ‘vrije wereld’ zich moeten en zullen wapenen tegen ‘terroristen’ en ‘extremisten’ – want als ze dat niet doen, dan… Ik heb het vrijwel letterlijk zo uit de mond van Mark Rutte horen komen, de dag na de aanslag op Charlie Hebdo, toen we allemaal ‘je suis Charlie’ zeiden. Dat maakte dit geval van terrorisme uitermate geslaagd.

Een verstoring van de ruimte nodigt uit tot het vinden van substituten voor veiligheid, wat niet zelden neerkomt op investeren in scenario’s die draaien om virtuele acties van tegenovergestelde identiteiten. Niet alleen wordt zo de terreur gekatalyseerd. Uiteindelijk wakkert dit soort scenario’s een negatieve manier van omgaan met nieuwe ervaring aan, een die werkt door uitsluiting: net zoals in het voorbeeld van echte en onechte mannen, maken we op den duur een schifting tussen echte (tolerante, democratische, vaderlandslievende…) en onechte (fundamentalistische, fascistische, vijfde colonne) Nederlanders. Zo wordt langzaam maar zeker een samenleving ontwricht, wat mij de ultieme inzet van elk terrorisme lijkt.

 

Voorlopige conclusie

Het verband tussen terrorisme en framing is toevallig noch oppervlakkig. Terrorisme is intelligente provocatie door terreur tot het vinden, of liever gezegd: construeren van substituut-stabiliteit. Het effect daarvan is dat in de manier waarop we met nieuwe ervaring omgaan uitsluiting als cognitieve strategie de boventoon gaat voeren, met alle gevolgen van dien.

Dit is een aanzet tot een theorie over terreur die licht werpt op de vraag wat terrorisme is en hoe we erop zouden moeten reageren. Er is nog veel huiswerk te doen, zowel in de uitwerking van de op Bergsons werk geënte theorie als aan de empirische onderbouwing. Ook de implicaties wil ik nog verfijnen. Wat ik hier concludeer is dus slechts voorlopig.

Wordt vervolgd.

 

(1) De tekst van Baudrillard draagt de toepasselijke naam La Guerre du Golfe n’a pas eu lieu (1991).

(2) Ik baseer me met name op Bergsons Matière et mémoire (1896).

(3) De tekst waarin Kant deze wending aankondigt en voltrekt is zijn Kritiek van de zuivere rede (1781-87, integrale Nederlandse vertaling 2007).

Geef een reactie