ergo cogito

‘Waar we niet over kunnen spreken, daarover moeten we zwijgen,’ zei ooit een invloedrijke filosoof. Hoe ironisch. Want over dingen die we niet kunnen zeggen of zien, kennen of denken, kunnen we niet anders dán denken. Zelfs die beroemde filosoof had anders niet met zo’n grote stelligheid kunnen beweren dat we onze mond erover moeten houden. Denken over wat zich aan de greep van het denken zou onttrekken — denken over wat echt is en wat het einde — is wat ik onder metafysica versta.

Zo heb ik in mijn proefschrift geschreven over ‘catastrofaal denken’: de duistere speculatie die ingebakken zit in de betekenis van het woord ‘catastrofe’. Een catastrofe zou immers een gebeurtenis zijn die zowel existentiëel als cognitief een einde markeert: als de menselijke soort van de planeet zou worden weggevaagd (om eens iets te zeggen), dan zou daarmee ook het middel verdwijnen om te registreren dat dit überhaupt was gebeurd. De catastrofe is dan iets waarvan we niets kunnen en zullen weten, maar dat dát zo is, weten we vreemd genoeg zeker. Over hoe dat nou zit, moeten we nadenken, juist in een tijd als de onze, die al het tijdperk der catastrofes wordt genoemd. Althans, iemand zou erover moeten nadenken, vond ik. Dat heb ik gedaan.

Je zou kunnen zeggen dat ik neig naar het duistere in de filosofie. Met Timothy Morton spreek ik liever van de ‘donkere chocolade’. Ik ontken noch onderschat noch bagatelliseer hoe hachelijk, ongemakkelijk en, jawel, onsmakelijk de situatie is waarin ik me bevind. ‘Maar kunnen we misschien beginnen iets te zeggen?’ (Ilja Leonard Pfeijffer, zevende Idylle)

Waar we niet over kunnen spreken, daarover moeten we NIET zwijgen. Daarom moeten we denken — daarom denk ik.

Geef een antwoord