Catastrofe en duur

Een catastrofe heet een ingrijpende verandering te zijn, niet van dit of dat in het bijzonder, op kleine of grote schaal, maar van het bestaan zelf. De filosofische vraag is nochtans of een dergelijke verandering wel denk- en voorstelbaar is, wanneer bestaan altijd al is verondersteld als transcendentale mogelijkheidsvoorwaarde voor welke gedachte en voorstelling dan ook. We stuiten op de paradox dat, indien we een dergelijke ingrijpende verandering trachten te denken en voor te stellen, we dat niet anders kunnen dan op voorwaarde van het bestaan waarvan we de verandering juist willen denken en voorstellen. Elke gedachte aan of voorstelling van ingrijpende verandering blijft daarom, in tegenspraak met het ingrijpende karakter, relatief. Trekken we deze lijn door, dan is bestaan zelf hooguit toegankelijk in de volgende, al net zo paradoxale reflectie: als het einde van denken en voorstellen, in het denken en voorstellen van het einde. Om de catastrofe te denken lijkt het onvermijdelijk catastrofaal te denken.

Maar rijst dan niet de vraag of het wel de catastrofe zelf is die wordt gedacht en voorgesteld? Hoe zou die immers te onderscheiden zijn van de zojuist omschreven paradoxale reflectie? Valt er überhaupt te beslissen of het gaat om het denken van het einde of het einde van het denken? Op die manier is catastrofaal denken ertoe gedoemd voor altijd om zijn eigen as te blijven draaien. Sterker nog, het is in deze zin het intellectuele equivalent van een zwart gat, een singulariteit, waar geen conceptuele lichtstraal aan ontsnapt en waarvan onbepaalbaarheid derhalve de enige vast te stellen kwaliteit is. Als dat de basis vormt voor zogenaamde voorspellingen omtrent het einde der tijden of het einde van de mens, dan kan dat slechts projecties van dat zwarte gat opleveren die even steriel als onbevredigend zijn. Catastrofaal denken blijkt een denken bij verstek, waarin de catastrofe zelf schittert in afwezigheid. De filosofische vraag of de catastrofe wel denk- en voorstelbaar is, roept daarom nog een vraag op die niet minder filosofisch is: valt de catastrofe te denken zonder catastrofaal te denken?

Een bevestigend antwoord op de laatste vraag is wellicht te vinden in wat de Franse filosoof Henri Bergson (1859-1941) ‘denken in duur’ noemt. Dit behelst een onmiddellijk denken of ‘intuïtie’ van verandering oftewel duur, precies voor zover bestaan wordt gedacht als bijzondere ‘kwaliteit van kwantiteit’: ondoordringbaarheid. Dit betekent dat bestaan, wanneer het wordt gedacht in duur, geen bruut feit,ontologische primitief en transcendentale mogelijkheidsvoorwaarde is. De cruciale consequentie daarvan ligt in het vooruitzicht dat de catastrofe als ingrijpende verandering gedacht kan worden zonder vast te lopen in de paradoxale cirkel waarmee bestaan als zwart gat is omgeven.

In mijn onderzoek wil ik allereerst Bergsons denken in duur legitimeren, met bijzondere aandacht voor de gedachte van bestaan als kwaliteit van kwantiteit. Vervolgens wil ik het transcendentaal en catastrofaal denken confronteren met de consequentie daarvan. Tot slot wil ik deze consequentie nader verkennen met betrekking tot het einde der tijden en dat van de mens, die naar verluidt door de catastrofe worden ingeluid.

Geef een reactie