Wat vrijheid waard is onder corona

Na een maand van social distancing en krankzinnige inspanningen in de ziekenhuizen lijkt een Italiaans trauma te zijn afgewend. Zijn we door het oog van de naald gekropen? Is het ergste achter de rug? Als we door onze wimpers naar de cijfers van het RIVM kijken, zouden we dat zomaar kunnen denken. Ruttes lancering van het ‘nieuwe normaal’ (‘doe zelf even normaal!’) en een behaaglijk lentezonnetje doen de rest.

De stemming in het land veert meteen op. In de media begint men zich af te vragen of we ons niet al te druk maken over de levens van een handvol onproductieve pensionado’s. Is het probleem niet veeleer dat we de dood maar eens moesten leren accepteren? Dat jongeren onnodig worden onderworpen aan verveling en huidhonger? Dat thuiswerkende ouders de eisen van de baas nauwelijks kunnen combineren met de eisen die de school van hun kind(eren) stelt? Dat corona, kortom, een obsessie is geworden waar onze normale manier van leven aan onderdoor gaat?

Dit sentiment wordt verder aangejaagd door de economische onheilstijdingen waarmee het IMF de prille solidariteit – toch al zo broos in een land dat dat woord bijna uit zijn lexicon had geschrapt – torpedeert. Want zijn die voorspellingen eigenlijk geen imperatieven om als de bliksem weer geld te gaan maken en uit te geven? Natuurlijk zullen we geen expert dat zo horen zeggen, niemand wil immers een bruut lijken. Het hoeft ook niet eens woordelijk te worden uitgesproken, want het doemscenario souffleert zijn eigen conclusie: de economie moet, of anders…

Of anders wat?

In haar boek Wij houden van Tsjernobyl tekent Svetlana Alexijevitsj, winnares van de Nobelprijs voor de literatuur in 2015, de verhalen van gewone Wit-Russen op. Zij vertellen dat niet lang na de grootste kernramp uit de geschiedenis boeren het radioactief ‘gloeiende’ land weer opgingen om te oogsten en te zaaien. Het economische ‘plan’ moest gehaald worden, zoals normaal. Volksgezondheid kwam in dat plan niet voor.

Daags voor Bevrijdingsdag kloppen we ons in dit land op de borst over de vrijheid, ‘ons goud’. Gelukkig is het zo dat we, in tegenstelling tot de Wit-Russen in de voormalige Sovjet-Unie, niet onder een totalitair bewind leven, maar in een democratische rechtstaat. In die zin is het leven van elke Nederlander goud waard. In dezelfde zin hebben wij er niet de minste moeite mee een regime dat volksgezondheid aan economie opoffert als misdadig te veroordelen. Maar hoe anders zouden wij zijn dan die arme Wit-Russen, als we nu gehoor gaven aan de imperatief van de economie, de oproep om (op)nieuw normaal te doen?

Sinds wanneer besteden we ons moreel kompas uit aan het IMF? En sinds wanneer fluistert een oude campagneslogan van de VVD (‘Normaal. Doen.’) ons in hoe of wat in een situatie die het regeerakkoord uiteraard niet heeft voorzien? – ‘Maar de vergelijking met Tsjernobyl is tendentieus, wanstaltig, verwerpelijk!’ Ah, u bent wakker? Natuurlijk is ze dat. Had u een vleiender soort spiegel voor ons op het oog als we in naam van de economie speculeren met de volksgezondheid? Laten we de zaken liever omkeren. De economie moet niet de facto het laatste woord hebben, dat moeten we haar niet geven. Of anders… is het wel duidelijk wat die vrijheid van ons, de vrijheid van totalitaire dwang, nou helemaal waard is.