Valt de catastrofe te denken zonder catastrofaal te denken?

Catastrofale uitspraken komen tegenwoordig met dertien in een dozijn. Het gaat over klimaatverandering of de opwarming van de aarde tot en met massa-extinctie en het einde van de wereld.

De boodschap die uit dergelijke uitspraken naar voren komt is telkens dezelfde: in het antropoceen zijn de condities van bestaan op de planeet aan zo’n grootschalige en ingrijpende transformatie onderhevig dat we er zelfs niet op mogen rekenen dat de basale coördinaten van de menselijke ervaring en kennisverwerving onveranderd blijven. Paradoxaal, want hoe weten we dat dan?

Er is sowieso iets vreemds aan de hand met de moderne filosofie. Die filosofie wordt ook wel kritisch genoemd, voor zover ze denken en bestaan van elkaar scheidt. Het punt is ogenschijnlijk simpel: je kunt bedenken wát een eenhoorn, een rond vierkant of de klasseloze samenleving zijn, maar wat je niet kunt bedenken is dát ze er zijn (of niet). Dat dingen, situaties, gebeurtenissen, processen enzovoorts in gedachten mogelijk zijn, wil nooit ofte nimmer zeggen dat ze ook werkelijk zijn. Kritische filosofie rekent af met het idee van zaken die moeten bestaan.

Met die ingreep gaat bestaan het einde van het denken vormen. Dan zijn we gauw klaar, zou je zeggen, maar niets is minder waar. Want het werkelijke, dat strikt genomen buiten elk denken ligt, wordt toch weer in het denken gereflecteerd en door het mogelijke geabsorbeerd, wanneer het einde van het denken wordt omgekeerd in een denken van het einde.

Dit is geen verzinsel of spel met woorden. In veel van de grootste moderne filosofie valt deze structuur van terugkeer te herkennen, om van informele, alledaagse manieren van denken nog te zwijgen. Het resultaat is hoe dan ook veelzeggend: het bestaan of de werkelijkheid als zodanig komen slechts in het denken voor als reflecties van het einde. Ik noem het catastrofaal denken.

 

Catastrofaal denken is dichtbij, vanzelfsprekend en vooral ondoordacht

 

Onze gangbare culturele expressies spreken wat dat betreft boekdelen. Zeggen we niet dat je jezelf pas leert kennen in een extreme situatie, wat die ook mag inhouden? Of dat je pas oog in oog met de dood leert wat leven betekent? Of je jezelf nu atheïst, agnost, humanist, christen, moslim, jood, hindoe, boeddhist of wat dan ook noemt, deze ideeën zullen je vast en zeker bekend voorkomen.

Het punt is dat catastrofaal denken geen louter technische aangelegenheid is voor dat handjevol wezens dat formeel filosofeert. We hebben er geen erg in, omdat we er veeleer met onze neus bovenop staan. Zo dichtbij, vanzelfsprekend en vooral ondoordacht is catastrofaal denken.

Er is nog iets anders raars mee aan de hand. Ga maar na. Als we willen nadenken over iets wat we feitelijk een catastrofe noemen, zoals de opwarming van de aarde, en we definiëren catastrofe losjes als ingrijpende verandering van bestaansvoorwaarden zelf, dan komen we al gauw tot de ‘conclusie’ dat dit voor ons en de wereld zoals we die kennen het einde betekent. Alleen, dit is geen conclusie op basis van de feiten, maar ingebakken in en op voorhand gegeven door onze structuur van catastrofaal denken. De conclusie is daarom altijd waar en precies om die reden volstrekt nietszeggend.

Met betrekking tot de feitelijke catastrofe zijn we, kortom, ziende blind, tenminste zolang we catastrofaal denken. Oeps! Wat nu? Betekent dit dat we het überhaupt niet over de catastrofe kunnen hebben? Kunnen we ons er slechts sceptisch, ironisch of zelfs ontkennend toe verhouden? Nee, dat nou ook weer niet, tenminste als we catastrofaal denken als zodanig gaan herkennen en opnieuw gaan doordenken. Want de hamvraag is hoe de catastrofe valt te denken zonder catastrofaal te denken.

Werk in uitvoering. Stop met denken, oftewel: stop met denken.